Verslag bijeenkomst verstedelijking & energie

Inleiding en rode draden
Energie is een nieuwe loot aan de ruimtelijke boom. Waar de energievoorziening in een nieuwe wijk vroeger eenvoudigweg werd aangesloten, is het vandaag een complexe opgave, waarin onzekerheid over netcapaciteit, eigenaarschap, kosten, gedragsverandering en techniek allemaal samenkomen. De energietransitie is geen sluitstuk meer van de verstedelijkingsopgave, maar een bepalende factor voor de snelheid, betaalbaarheid en haalbaarheid van nieuwbouwprojecten. Het helpt om zo vroeg mogelijk in het proces keuzes te maken over energie, maar wie maakt deze keuzes en neemt daar ook verantwoordelijkheid in?
Tijdens de workshop Energie en Verstedelijking, georganiseerd door Transform en NP RES op 26 juni, gingen twintig deelnemers vanuit overheden, ontwikkelaars, bouwers en adviesbureaus aan de slag met twee centrale vragen: Waarom zijn keuzes rondom decentrale energie nog onvoldoende onderdeel van het gebiedsontwikkelingsproces en wat is ervoor nodig om dat te veranderen?
Wat over de volle breedte terugkomt, is dat energie nog te vaak het sluitstuk is, terwijl de noodzaak groeit om het juist een integraal onderdeel van de nieuwbouwontwikkelingen te maken. Deelnemers spraken over hoe gebrekkige kennis, scheve verdeling van lusten en lasten, en gebrek aan regie in de praktijk leiden tot suboptimale keuzes of zelfs stilstand. Tegelijkertijd is er veel creativiteit en motivatie om het anders te doen. Deze transitie vraagt om een andere financiële modellen, nieuwe rollen, betere sturing en vooral: ruimte om al doende te leren.
Wachten op duidelijkheid is geen optie meer. Alleen door te experimenteren, samen te leren en successen te delen, ontstaat er een praktijk waarin energie geen hindernis is, maar een bouwsteen voor leefbare, toekomstbestendige wijken.
Probleemverkenning
Kennis, inzicht en gemeenschappelijke taal
Er is nog maar weinig inzicht in wat energie ruimtelijk betekent. Energie-experts praten in kilowatturen, terwijl stedenbouwkundigen werken met vierkante meters. Deze mismatch in taal en referentiekaders vormt een barrière voor effectieve samenwerking. Daar komt bij dat er tussen ontwikkelaars en decentrale overheden weinig informatie bekend is over de impact van decentrale oplossingen en van keuzes op techniek- en gebouw-niveau op de rest van het energiesysteem. Het moeras aan keuzemogelijkheden en gebrek aan inzicht daarin leidt tot telkens weer het wiel opnieuw uitvinden, blijven hangen in wikken en wegen van opties, of dan maar het vraagstuk helemaal aan de kant schuiven. Energie blijft daardoor te vaak een "sluitstuk": iets wat pas aandacht krijgt als het eigenlijk al te laat is. Daar waar wél waardevolle kennis en ervaring opgedaan wordt, blijft dit vaak hangen binnen een bepaald gebied zoals de FGU of binnen experimenten zoals Schoonschip.
Verkokering en gebrek aan regie
Niemand heeft formeel de regie op het ruimtelijk inpassen van decentrale oplossingen. Daardoor komen deze vaak pas in beeld als de situatie al nijpend is. Daarbij komt dat gemeentelijke organisaties vaak erg verkokerd zijn. Zo is woningbouw een aparte afdeling naast mobiliteit, energie, warmte, openbare ruimte, etc. Deze verkokering hindert de programmatische aanpak die energie in gebiedsontwikkeling nodig heeft. Ook hier werd gesproken over kennisachterstanden, vooral bij kleinere gemeenten. Die grijpen vaak terug op oude zekerheden, omdat energie "extra complexiteit" toevoegt waarvoor ze geen capaciteit hebben. Veel gemeenten en provincies ervaren ook een gebrek aan sturingsmogelijkheden (hoewel die er in de praktijk wel zijn). Vanwege de complexiteit van de materie en het proces, lijkt het dan makkelijker om het van zich af te organiseren. Het gevolg: gebrek aan duidelijke sturing.
De implicaties van niet sturen zijn vaak onvoldoende in beeld. Bij bijv. NOVEX gebieden die op de lange termijn (2040-2050) ontwikkeld moeten worden, is het voor gemeenten en provincies nu nog niet duidelijk hoe groot het probleem dan zal zijn (gebrek aan urgentie). Men denkt nog te vaak dat netcongestie tegen die tijd wel verholpen zal zijn en dat woningen weer op de traditionele manier aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnet terwijl dat meestal niet het geval is.
Beperkte regelruimte
Wet- en regelgeving omtrent het energiesysteem zijn onvoldoende toegerust op decentrale, innovatieve oplossingen. De beperkte ruimte voor experimenten en decentrale ontwikkelingen zorgt ervoor dat dergelijke initiatieven, als ze er al zijn, extreem veel tijd, moeite en diepgaande kennis vergen. Dit zorgt ervoor dat decentrale ontwikkelingen nog maar mondjesmaat en alleen in het kader van experimenteerregelingen van de grond komen. Het gebrek aan regelruimte vormt een stevige belemmering voor integratie van decentrale ontwikkelingen in het gebiedsontwikkelingsproces.
Data en inzicht
In veel gevallen ontbreekt het aan eenduidige data over het (toekomstige) energiesysteem (opwek, verbruik, infra & opslag) in een gebied. Ontwikkelaars en overheden hebben vaak geen toegang tot netinformatie op wijk- of buurtniveau en er is geen integrale cijfermatige onderbouwing waarop het energiesysteem voor een nieuwe wijk ontworpen kan worden. De informatie die wél beschikbaar is, is gefragmenteerd en hoog technisch. Energie wordt daardoor niet als stuurmiddel ingezet, maar als horde aan het eind van het traject. Ook hier kwam de constatering dat sturing en eigenaarschap ontbreken – niet omdat niemand wil, maar omdat niemand weet hoe.
Lusten, lasten en split-incentives
Tot slot is er de oneerlijke verdeling van risico's en opbrengsten. Investeren in slimme energieoplossingen kost geld, maar de baten vallen vaak elders. Ontwikkelaars hebben daarom weinig prikkel om voor collectieve of decentrale oplossingen te kiezen en gemeenten hebben niet altijd positie of kennis om hierop te sturen. Men gaf aan dat hierdoor veel oplossingen individueel en all-electric worden ingevuld – met als gevolg een suboptimale benutting van de (bestaande) netcapaciteit.
Conclusie
Deelnemers spraken ook over het verschil in de mate van problematiek en urgentie tussen kleine uitbreidingen met een lage dichtheid (weinig probleemgevoel) en grote binnenstedelijke projecten met een hoge dichtheid (hoge urgentie, veel belemmeringen). Met name in die laatste categorie zorgen bovenstaande problemen ervoor dat er niet voor de meest efficiënte of wenselijke energie-oplossingen gekozen wordt, maar dat vaak laat in het proces complexiteit optreedt, waardoor voor suboptimale oplossingen gekozen wordt (meestal individueel ipv collectief, dus op woningniveau ipv op buurtniveau). Daarmee wordt de ruimte die nog wél beschikbaar is op het net, namelijk buiten de pieken, niet goed benut. Al met al leidt dit tot vertraging, een extra blokkade op grootschalige woningbouw, en in het ergste geval woningen die niet opgeleverd kunnen worden omdat er geen elektriciteitsaansluiting beschikbaar is.
Oplossingsrichtingen
Bundelen van kennis en aan de slag!
Als concreet hulpmiddel voor gemeenten en ontwikkelaars, stelde men voor om een landelijke menukaart te ontwikkelen van technieken, kosten, ruimte- en netimpact. Daarbij hoort ook een handboek voor nieuwe gebiedsontwikkeling, waarin energie vanaf het begin wordt meegenomen.
Men benadrukte dat gemeenten en ontwikkelaars nú moeten beginnen met experimenten. Door tenders uit te schrijven met netbewuste eisen of te werken met netbudgetten, ontstaat er praktijkervaring die gedeeld kan worden en uiteindelijk vertaald kan worden naar beleid.
Overheden hebben hier een rol om de feedbackloop tussen praktijk en beleid te versterken en actief bij te dragen aan het bundelen en verspreiden van kennis en het stimuleren en opschalen van nieuwe (proces)innovaties.
Gebiedsgericht sturen met data en netbudgetten
Om gebiedsgericht te kunnen sturen is inzicht en data nodig. Bijvoorbeeld in de vorm van een landelijk dashboard waarin netcapaciteit per onderstation inzichtelijk wordt gemaakt. Ook moet zichtbaar worden gemaakt hoeveel ruimte er nodig is voor opwek, opslag en transport van energie in een wijk, bijvoorbeeld met de rekentool van CityMaker en DEP. Zo kunnen overheden en ontwikkelaars plannen toetsen en keuzes onderbouwen, zowel ruimtelijk als energiesysteem-technisch.
Dergelijke oplossingen zijn ook een voorwaarde om te kunnen werken met bijvoorbeeld netbudgetten. Dat zijn heldere afspraken over hoeveel netcapaciteit er beschikbaar is per wijk of gebied, en onder welke voorwaarden. Op wijkniveau kunnen netbudgetten bijvoorbeeld worden gekoppeld aan omgevingsvergunningen, waarmee netbewust bouwen van woningen en voorzieningen kan worden afgedwongen. Het principe van ‘right to challenge’ kwam ook voorbij: projecten die onder netbudget blijven of duurzame prestaties leveren, krijgen dan automatisch groen licht. Daarmee geef je initiatiefnemers handelingsperspectief en stimuleer je innovatie.
Lusten en lasten op dezelfde plek
Duurzaam en netbewust bouwen moet financieel gewaardeerd worden. Nu worden de extra kosten hiervoor bij de prijs van de woning opgeteld of komen collectieve oplossingen niet van de grond omdat niemand hier de extra kosten voor wil dragen, terwijl dit maatschappelijk veel op kan leveren.
Om lusten en lasten eerlijker te verdelen, kwamen verschillende ideeën voor nieuwe exploitatiemodellen aan bod. Een mogelijk oplossing is om de exploitatie bij de ontwikkelaar te leggen en zo de lusten-lasten verdeling te verbeteren, bijvoorbeeld in de vorm van een ESCO. Of juist om de gebruiker meer zeggenschap te geven in de ontwikkeling en exploitatie van het energiesysteem in een wijk, bijvoorbeeld via een energie(gemeen)schap of Collectief Particulier Ontwikkeling (CPO) inclusief energie. Ook kan een nieuwe lokale entiteit worden opgericht die zich richt op exploitatie en beheer van assets, capaciteitssturing en flex-sturing. Dat kan in verschillende vormen van publiek (gemeentelijk energiebedrijf) en particulier (energiegemeenschap) tot privaat (Local service provider (LSP), Aggregator+). Zo komen investeringen en exploitatie bij één partij terecht en blijven innovaties en ontwikkelingen niet hangen op een split-incentive.
Bij al deze vormen is het belangrijk om een goede afweging te maken welke publieke waarden en belangen hiermee geborgd worden en welke risico’s er zijn op dat gebied.
Om de businesscase van alternatieve energiedragers zoals warmte en duurzame gassen te verbeteren, werd gesuggereerd om het prijsverschil tussen verschillende energiedragers weg te nemen. Eén vast energietarief, los van de techniek, maakt collectieve oplossingen aantrekkelijker.
Regie en vertrouwen op gebiedsniveau
Voor het formaliseren van de regierol over decentrale energie, wordt met name naar gemeenten en provincies gekeken. Zij zouden net als bij parkeren kaders moeten stellen voor energie om ervoor te zorgen dat collectieve kavel overstijgende oplossingen meegenomen worden in het gebiedsontwikkelingsproces. Daarvoor zijn sturingsmiddelen nodig zoals bijvoorbeeld differentiatie en aanscherping van energieprestatie-eisen per woning, bovenwettelijke tendercriteria, normen voor optimaliseren van piekbelasting per kavel, of een netbudget per wijk.
Belangrijk hierbij is om niet alleen op woning of wijk niveau te optimaliseren, maar ook te kijken naar mobiliteit en de bestaande bebouwing daaromheen om zo integrale gebiedsgerichte oplossingen mogelijk te maken. DBFMO-contracten op gebiedsniveau zouden hierin kunnen helpen.
Deelnemers benadrukten ook dat regie niet alleen betekent “regels stellen”, maar ook “vertrouwen organiseren” in elkaars rol en kunnen. Veel van deze oplossingsrichtingen gaan alleen maar werken als je ook een cultuurverandering stimuleert: meer samenwerking en waardering voor verschillende kennis en competenties aan tafel. En alle stakeholders vanaf het begin aan tafel zodat ze een gedeelde verantwoordelijkheid ervaren. Het zijn immers de mensen die het moet doen.